Van Stadsschool tot ‘oud-VTI’
Op 1 september 1959 werd er in de lokalen van de vroegere stadsschool van Diksmuide met een Vrij Technisch Instituut gestart. Het betekende meteen ook het definitieve einde van 115 jaar (1844-1959) stedelijk basisonderwijs en decennia avondvakonderwijs
Tot in de twintiger jaren van de 19e eeuw werd basisonderwijs nog hoofdzakelijk gegeven in al dan niet door de stadsoverheid erkende private schooltjes. Mannen en vrouwen die wat geleerdheid opgedaan hadden, hielden er voor enkele stuivers school. De lessen beperkten zich voornamelijk tot catechismus, elementair lezen, schrijven en rekenen. Voor meisjes die – zij het in mindere mate dan jongens – ook de kans kregen, stonden vooral handwerk en huiselijke taken op het programma. Wie wat standvastig was, leerde er iets, voor anderen bleef het bij analfabetisme. In de eerste helft van de 19e eeuw was bij benadering 50% van de Diksmuidse bevolking ongeletterd. Zijn naam schrijven was heel dikwijls mar een ‘ingeoefend kunstje’.
De ‘akte van algemene toelating’
Tijdens de Hollandse periode (1814-1830) onder koning Willem werden ernstige pogingen ondernomen om het onderwijs in Vlaanderen op een hoger niveau te brengen. De aandacht ging vooral uit naar de betere scholing van leerkrachten. Het KB van 2 mei 1822 was hieromtrent duidelijk: iedere kandidaat-onderwijzer(-es) moest, ongeacht of het ging om openbaar of confessioneel onderwijs, voor de Provinciale Commisie van Onderwijs een ‘akte van algemene toelating’ behalen. De storm stak op. Die protestantse wetten van Willem vonden gen genade in de ogen van de katholieken. Onderwijs in Vlaanderen was toen zowat het monopolie van de seculiere maar vooral reguliere geestelijkheid. (zgn. kloosterscholen) ‘Alleen de bisschop is de baas in ons onderwijs’, klonk de roep. De wet werd dan ook op alle mogelijke manieren omzeild en bestreden, wat een structurele scolarisatie in Vlaanderen zeker niet bevorderde. Het zou wachten worden op een nieuwe impuls.
Een shoolwet zonder schoolplicht
Na de Belgische onafhankelijkheid werd de eerste schoolwet gestemd. De organieke wet op het basisonderwijs (4 mei 1842) verplichtte iedere gemeent om over een basisschool voor jongens te beschikken. Dit impliceerde echter nog geen schoolplicht. Die zou er bij wet in 1914 komen, maar gezien de oorlogsomstandigheden pas na W.O.I van kracht worden. Het vormde de basis van een net van gemeentelijke en aangenomen vrije scholen. Deze laatste waren voornamelijk katholieke instellingen die van de gemeente een toelage kregen. Klassikaal onderwijs werd algemeen.
De stadsschool van Diksmuide
Al in 1829 deed de stad een bod op de ‘oude barakken’, gelegen op de overblijfselen van de vroegere Noordpoort en eigendom van brouwer Moens. Met bijhorend erf leken die erg geschikt (!) om er een jongensschool in onder te brengen. De deal ging niet door. Gerugsteund door de nieuwe schoolwetverplichtingen (1842) hakte burgemeester P. De Breyne (1836-1863) de knoop door. Op 20-3-1843 vond de aanbesteding van de nieuwe jongensschool plaats. Als bouwterrein werd voor een geaccidenteerde weide , de vroegere westvesten, gekozen. Het sobere gebouw van twee bouwlagen bleek weldra te klein. Ten noorden ervan volgde in 1868 een nieuw en groter complex achter een neoclassicistische gevel. Het vorige gebouw diende voortaan voor meisjesschool. Aansluitend kwam er in 1884 een kleuterafdeling. Globaal bood het schoolcomplex een vrij imposante indruk.
Armoede
Het is opmerkelijk dat de oprichting van deze stedelijke onderwijsinstelling samenviel met de ‘kwalijke’ jaren van de 19e eeuw, een dieptepunt in de sociaal-economische geschiedenis van het West-Vlaamse platteland, dat ook Diksmuide niet onberoerd liet. 1/3 van de bevolking was hulpbehoevend. De huisnijverheid als spinnen, weven en kantklossen ging teloor. De hardnekkige aardappelplaag en mislukte graanoogsten, gepaard met epidemieën van cholera en tyfus, dreven de al zwaar geteisterde arbeidersgezinnen naar de weldadigheidsinstellingen. Anderzijds stonden welstand en geletterdheid sterk gecorreleerd met mekaar. Het was in deze periode dat de ‘elitair’ beschouwde pensionaten Saint-Louis (1844), het latere Sint-Aloysiuscollege, en ‘les Soeurs de la Présentation de Marie’ (1836), later de Dames van Sint-Niklaas (1856), opgericht werden.
De stadsschool als centrum voor naschools onderwijs
Kort na de opening van de stadsschool in 1844 startten er in de bovenlokalen leergangen voor ‘teekenkunde’. Die werden in 1851 tot ‘Stedelijke Academie voor Teekenen en Bouwkunde’ omgevormd. Het initiatief kende blijkbaar succes, want in 1850 telde de academie 96 en in 1856 al 120 leerlingen, vooral volwassenen. In 1867 kon het lessenpakket uitgebreid worden met ‘werktuigteekenen, cijferkunde en lijnteekenen’. Het was een eerste aanzet naar ‘vakonderwijs’.
De in 1867 opgerichte ‘leerwerkschool voor weefkunde’ kende er minder succes en was een kort leven beschoren. Het ontbreken van een plaatselijke weefnijverheid en de teloorgang van de huisweverij waren daar uiteraard niet vreemd aan.
W.O. I en de wederopbouw van de stadsschool
Na W.O. I restte er van Diksmuide alleen een desolaat puinlandschap. De vraag stelde zich of het ergens nog zin had de stad herop te bouwen of die beter als ‘site de gueurre’ te bewaren. ‘Ruines totales où il semble que l’espérance même devrait demeurer ensevelie’, schreef R. Bazin… En toch, kort na de wapenstilstand verrezen in de ‘Leegweg’ (Grauwe Broedersstraat) de eerste ‘barakschooltjes’. Al in 1920 waren de plannen voor een nieuwe gemeenteschool zo goed als klaar. In september 1924 konden de lessen er hervat worden. De architecten L. Coppé en E. Timmery opteerden voor een traditionele baksteenarchitectuur die nauw aansloot bij die van de rest van de stad. Het grondplan van het schoolcomplex werd bepaald door twee vrijstaande directeurswoningen (voor jongens- en meisjesschool), waartussen het hoger opgetrokken volume van het klassengebouw voor jongens.
Veel aandacht werd besteed aan het metselwerk van gele baksteen met trap- en tuitgevels, oedicula- of tabernakelvensters (directeurswoning!), boogfriezen, blinde oculi, Brugse traveeën en aan de kant van het Schoolplein een opvallende schoorsteentravee. de inscriptie ‘Teekenschool’ boven de korfboogpoort en de in natuursteen gekapte mascaron in de gevel – kant Schoolplein – herinneren nu nog aan de vroegere, op de bovenverdieping gelegen academie voor tekenen. De school oogde modern voor die tijd. Ten westen van het complex, met een afzonderlijke ingang via de IJzerlaan, stond het merkelijk soberder afgewerkte klassengebouw voor meisjes en kleuters.
Pogingen tot beroepsopleiding
Einde de jaren twintig werd het initiatief voor een ‘vakweefschool’ weer opgenomen, maar met weinig succes. Al in 1932 werd de school gesloten. De getouwen bleven in een zaal van de stadsschool werkloos achter.
Tussen beide wereldoorlogen kende Diksmuide een bloeiende diamantnijverheid, die tal van Diksmuidelingen tewerkstelde. Van enig onderwijs in de streek voor de toch sterk gespecialiseerde opleiding voor diamantbewerking was er geen sprake. Onder impuls van deken Van den Abeele en gesteund door de lokale diamantindustrie werden in 1937 aan de stadsoverheid de plannen voorgelegd om in de gedeeltelijk leegstaande lokalen van de stadsschool leergangen voor diamantbewerking in te richten. Er waren echter nog gegadigden! Al jaren lobbyde de liberale oppositiefractie voor een rijksmiddelbare school in Diksmuide. De stadsschool leek daarvoor best geschikt. Steeds opnieu wisten de geestelijkheid en de politiek katholieke meerderheid de boot af te houden. Een vrije diamantschool was voor de oppositie een stap te ver. Een stedelijke diamantschool kon eventueel, een vrije in ieder geval niet! De liberale minister van Onderwijs J. Hoste werd voor de kar gespannen om met tal van ministriële en andere spitsvondigheden er een stokje voor te steken. Een vlijmscherpe brief van burgemeester J. Titeca aan de minister, met weerlegging van de aantijgingen en een pleidooi voor een vrije diamantschool, deed het tij keren in het voordeel van deze laatste. De oppositie kwam niet berooid uit de strijd: in 1938 volde de ministriële goedkeuring voor de oprichting van een rijksmiddelbare school maar op een andere locatie! Machines voor diamantbewerking werden aangekocht, leerlingen geronseld, vakleraars aangesteld en alles was klaar voor de lessen toen de oorlog uitbrak! Het project zou na de wapenstilstand geen tweede kans meer krijgen.
W.O. II
Op 27 mei 1940 verwoestte of beschadigde een Duits vliegtuigbombardement een deel van het stadscentrum. De stedelijke meisjesschool werd vernield. Ook de jongensschool liep flink wat schade op. Het was het begin van het einde van het stedelijk basisondewijs. In volgend decennium toonde de stadsoverheid nog weinig belangstelling voor het voortbestaan van haar school. Ze was ze – financieel – liever kwijt dan rijk! In 1958 was er voor de jongensafdeling slechts 1 leerkracht voor zes leerjaren. De concurrentie van een uitgebreid net aan vrije scholen en van de in 1938 opgerichte RMS was te groot. Het ministerie van Onderwijs besloot de school niet langer meer te subsidiëren. In de gemeenteraad van 26 juni 1959 werd de sluiting van de stadsschool eenparig goedgekeurd. Dit was meteen het einde van 115 jaar stedelijk onderwijs
Diksmuide, noodgebied van nationaal belang
Tot eind 19e eeuw waren scholen voor beroepsopleiding zo goed als onbestaande. Wie een ‘vak’ wenste te leren, moest in de ‘stiel’ bij een vakman. Het idee voor beroepsonderwijs kreeg een sterke impuls op het tiende congres van de Volksbond in Brugge. (22-23 september 1901). In 1908 had Brugge zijn vakschool. Later volgden Ieper en Veurne en pas in 1959 Diksmuide.
1959 betekende een mijlpaal in de industriële ontplooiing van Diksmuide. In de jaren vijftig kende de streek een enorm arbeidsoverschot. De jeugd had er geen toekomst. Werk betekende pendel! Diksmuide werd in de pers wel eens afgedaan als een ‘dode’ stad. En hoewel iedereen dat besefte, kwam het toch telkens opnieuw hard aan. Vakbonden voerden actie voor werk in eigen streek: ‘Noodgebied voor wat er niet was streek met grote mogelijkheden voor wie er komen wou’. Het tij zou keren. In 1959 kreeg Diksmuide het statuut van ‘ontwikkelingsgebied van nationaal belang’. Bij KB van 22-4-1958 werd het BPA ‘Woumen-West’ als nijverheidsgebied goedgekeurd. Een groots opgezette manifestatie in de stad ten voordele van een onontbeerlijk technisch onderwijs kwam de nood aan een lokale technische school ondersteunen.
1 september 1959: het Vrij Technisch Instituut opent zijn deuren
In dezelfde gemeenteraad van 26 juni 1959 viel ook de beslissing om de stadsschool aan het St.-Aloysiuscollege te verhuren, met optie voor een latere aankoop. Voor de oppositie kon er van verkoop aan deze katholieke instelling geen sprake zijn, onder meer omdat het college van plan was om er een technische school in onder te brengen en omdat er op de gebouwen nog een recht op oorlogsschadevergoeding rustte. De verkoop zou uiteindelijk toch doorgaan (1961).
Principaal H. Heyman van het St.-Aloysiuscollege zat ondertussen niet stil. Zonder het fiat van de gemeenteraad af te wachten, schreef hij al op 11 juni 1959 aan de pastoors van de omstreken: ‘De kwestie van het technisch onderwijs waarover vroeger al herhaaldelijk gesproken werd, is nu definitief geregeld. In samenwerking tussen het college en de vrije technische school van Veurne komt er dus van 1 september 1959 af technisch onderwijs. Het zal een afdeling zijn van de technische school van Veurne die er dus ook voor een groot deel de leiding zal van hebben. Waar de lessen gegeven worden? Officieel staat dit nog niet vast, maar de bedoeling is de lokalen van de stadsschool te huren en later eventueel te kopen… (Over die lokalen liefst nog niet spreken aan de mensen om alle complicaties te vermijden.)’
Op 1 september 1959 kon het Vrij Technisch Instituut zijn eerste schooljaar beginnen onder de voogdij van VTS-Sint-Idesbald Veurne en het Sint-Aloysiuscollege van Diksmuide. Op 1 september 1967 was het VTI een volledig autonome school.
Had de nieuwe eigenaar niet ‘een kat in een zak’ gekocht? Was er genoeg nagedacht over de toestand van de gebouwen en de eisen van diversiteit die het technisch onderwijs meteen al zou stellen? De lokalen waren verouderd en die van de vroegere meisjesschool nog in puin. Centrale verwarming was er al evenmin en het sanitair was lamentabel. Het pionierswerk van directie en leerkrachten zou echter weldra resulteren in een bloeiende school. Er werd gebouwd en verbouwd tot in de tweede helft van de zeventiger jaren barstte de school als het ware uit zijn voegen. Mgr. E. J. De Smedt vond aanvankelijk nogal ‘imaginair’om in Diksmuide een nieuwe school te bouwen. Druk van directie en leerkrachten, een bezoek aan de ‘H. Geeststraat’ in Brugge, hielpen het licht op groen zetten voor een nieuw VTI in de Cardijnlaan.
Van oud-VTI tot Polderpand
Vanaf 1978 stond het oud-VTI’, zoals het pand aan het schoolplein in de volksmond soms nog wordt genoemd, leeg. Eigenaar ervan was de vzw Decanale werken. Voor secretaris-beheerder E.H. Heyman werd de verlaten school stilaan een bron van kommer en kwel. Leegstaand was precies niet ideaal om de verkrotting ervan tegen te gaan. Wat ermee moest gebeuren, was een open vraag. Occasioneel werden lokalen verhuurd voor werk- en bergplaats, teken- en schilderschool, ontmoetingsplaats voor een carnavalvereniging en zo meer. Van de kant van het vrij onderwijs werd er, in het kader van het vernieuwd onderwijs, aan een middenschool gedacht. Het B.L.O. vond er tijdelijk een onderkomen. De speelplaats deed dienst als oefenruimte voor de autorijopleiding. De knoop werd uiteindelijk doorgehakt met de verkoop in 1987 van het hele complex aan een privaat persoon. Eigenlijk was dit een goede oplossing. Zo kregen de gebouwen de nodige renovatie en een nieuwe functie.