Het Vrijheidsplein
Klein en rechthoekig ligt het pleintje zowat geklemd tussen de De Breyne Peellaertstraat en het koor van de Sint-Niklaaskerk. Verder geeft het verbinding met de Sint-Niklaasstraat. Zelfs door Diksmuidelingen is het bij naam niet altijd zo direct te situeren. Het wordt meestal gezien als een ‘insprong’ van de De Breyne Peellaertstraat.
Tot1924 heette het pleintje nog officieel de Vischmarkt. In de gemeenteraad van 11 april 1924 werd de naam gewijzigd in Vrijheidsplaats, tenslotte in Vrijheidsplein. Diksmuidelingen bleven het nog lang de ‘oude Vismarkt’ noemen.
Als symbool van de herwonnen vrijheid en vrede werd in 1927 een vrijheidsboom, een linde geplant. Niettegenstaande het bombardement van 1940, dat ook het plein en de kerk zwaar teisterde, en de toenemende ‘opdringerigheid’ van koning auto houdt de boom – dit jaar 80 jaar oud – nog steeds goed stand.
In de loop van de eeuwen kreeg het pleintje diverse marktfuncties en dito benamingen toebedeeld: Havermarkt, Bezemmarkt en Vismarkt.
Havermarkt
Volgens het stadsplan van Jacob van Deventer deed het pleintje omstreeks 1550 al dienst als havermarkt en sloot min of meer aan bij de aan de oostkant van de Grote Markt gelegen Graanmarkt. Haver (evene) was voornamelijk bestemd voor paardenvoer. Gepeld (gort) en geplet (havervlok) werd die ook in de keuken gebruikt voor haver- of gortepap. Evene was een minderwaardige soort haver, die zelfs op schrale grond gedijde. De verhandeling van haver gebeurde meestal per ‘spint’, een cilindervormige korf of vat dat overvol gevuld met de strijkstok (strykere) vlak gestreken werd en 20 tot 25 liter bevatte.
Qua inhoud verschilde deze ‘graanmate’ nogal van streek tot streek, zelfs van stad tot stad. Zo bestond er ook een ‘Dixmudsche graanmate’.
Bezemmarkt
Wanneer de havermarktactiviteit op het pleintje in onbruik rakte, is niet duidelijk. Terwijl een akte uit 1664 an naar de ‘Bezemmarkt’ verwijst, vermeldt het arrestboek van de Vierschaere (1681) nog steeds naar ‘Havermarkt’.
Oude benamingen van straten en pleinen leiden in het collectief geheugen nu eenmaal een taai bestaan, zeker in Diksmuide.
Na de graanboeren kwamen dus de bezembinders uit het Houtland en de streek van Klerken en Houthulst er hun bezems te koop leggen. Bezems waren toen niet meer dan een al dan niet rond een steel gesnoerd busseltje berkenrijs. Er waren er van alle soorten: straat-, huis-, pot- en ovenbezems en zelfs kleine kleerbezempjes.
Bezembinders waren een speciaal volkje en werden wel eens vereenzelvigd met scheef bekeken boskanters. Meestal echter waren het sukkelaars, want met bezembinden was weinig te verdienen. Gelukkig waren die bezems snel versleten en moesten er telkens weer nieuwe worden aangeschaft. Nieuwe bezems vaeghen best, beter als zij doen op ‘tlest’.
In volksgebruik en -geloof nam de bezem een speciale plaats in Zo was het gebruikelijk dat bij jaarmarkten en feesten een bezem uitgestoken werd. Hij diende ook ter bescherming tegen heksen, die op hun beurt de bezemsteel best geschikt vonden om er hun verplaatsingen door de lucht mee te maken… Feit is dat in de 16e, 17e eeuw Diksmuide de faam van heksenstad genoot!
Vischmarkt
In 1780 besloot het stadsbestuur de sinds eeuwen druk bezochte vismarkt van het Vischstraetje – nu Van Pouckestraat – naar de toen al marginale Bezemmarkt achter het koor van de kerk te verhuizen. Timmerman Nicodemus Zants kreeg de opdracht de houten vishal naar daar te verplaatsen. Daarvoor gebruikte hij houten rollen die stoelmaker Caerel Pishout speciaal voor hem draaide. Zo veranderde het marktje eens temeer van naam en heette voortaan ‘Vischmarkt’
Op het plan P.C.Pop (+/- 1842) en in bijhorende legger komt de vishal of vismijn voor als de zogenaamde ‘Vischerije’, groot 50 ca eigendom van de stad. Omstreeks 1900 kwam een stenen gebouwtje in de plaats. Visverkopers konden er op de banken hun waar te koop stellen. Wie hiervoor geen marktrecht wenste te betalen of er geen plaats vond, stalde zijn koopwaar uit in manden, op een stootkar of kruiwagen of zomaar op de kasseien… Nog tot 1914 was dit het wekelijkse tafereel. Een waterput met pomp voorzag de visverkopers en ook de buurtbewoners van het nodige water.
Rond die watervoorziening rezen nogal eens klachten: de waterput deugde niet en de pomp al evenmin. Het stadsbestuur beloofde telkens beterschap en voorzag uiteindelijk in 1855 een bedrag op de begroting. Maar zoals zo dikwijls in deze, ook voor de stadsfinanciën, rampzalige jaren werd het budget uiteindelijk voor het herstel van nog in meer lamentabele toestand verkerende straten aangewend.
Het marktje zal – zoals nu – aan de noordkant nooit veel meer dan een tweetal huizen – herbergen – geteld hebben. Aan de zuidkant was er het hoekhuis dat tot de Noordstraat behoorde.
Herberg Sint-Crispijn alias ‘t Bezemke’ (nu Vrijheidsplein 1)
Nog tot aan WOI herinnerde de herberg ”t Gouden Bezemke’ aan de toen allang verdwenen Bezemmarkt. Op de lange, witgekalkte gevel stond in grote, zwarte letters ”t Gouden Bezemke – estaminet. Ch. Deboom-Vandooren-koopman in hout’. Voordien, zeker nog tot in 1747, heette de herberg Sint-Crispijn. Uitbater Jacobus De Visschere werd in dit jaar uit de stadskas vergoed voor de logementkosten van doortrekkende legerbendes.
En zoals het uithangbord liet vermoeden, was deze bij de kerk gelegen herberg ook het gildelokaal van de schoenmakers en aanverwante beroepen zoals de leerlooiers, leerbewerkers… Op het feest van de patroon Sint-Crispijn zal het er wel eens ‘gildig’ aan toegegaan zijn… In de volgende decennia wijzigde het pand geregeld van eigenaar. Zo verkocht de familie Thooris in 1769 ‘huys, stallinghen up en dependentiën genaempt Sint-Crispinus alias ‘t Besemke’ aan Joannes Albertus Van Vossem, raadspensionaris en griffier van het wezengesticht van de stad.
In 1878 was B. Blomme, ‘stoof- en pompmaker’, baas in ‘t Bezemtje en laatste in 1914 timmerman Jules Coquel. Toen brak de oorlog uit…
Herberg De Vischmijn (nu Vrijheidsplein 2)
Een vismarkt zonder herberg met een aangepast uitgangbord als bijvoorbeeld De Vischmijn, was moeilijk denkbaar. Die is er dan ook gekomen na 1780 op de hoek van het marktje met de Noordstraat naast ‘t Gouden Bezemke.
Vis, boter e.a. werden vroeger – zij het dan eerder grotere hoeveelheden – openbaar verkocht bij wijze van ‘loven’ of ‘mijnen’. De verkoper riep in dalende lijn zijn gewenste prijs af voor een bepaald lot. De kandidaat-koper die het eerst ‘mijn’ riep, kreeg de koop aan de laatst afgeroepen prijs toegewezen.
In 1855 was De Vischmijn eigendom van Fideel Van Cuyck-Gyole, drukker en uitgever van het ultra liberale ‘Weekblad van Dixmude’. Zelf woonde en werkte Van Cuyck op de zuidhoek van de Vismarkt met de Noordstraat.
Architecturaal was De Vischmijn in een typisch 17e-eeuwse, Vlaams-renaissancestijl opgetrokken. Een frai in baksteen uitgebeiteld en aan de klassieke oudheid ontleend tempel- of aediculavenster sierde de getrapte gevel. Gesmede muurankers verwezen naar het bouwjaar 1621. Het was een van de zeldzame, 17e-eeuwse gevels die de stad op het einde van de 19e eeuw nog rijk was.
Schildersgast Charles Huyghe was tot half oktober 1914 de laatste uitbater. Net zoals de rest van de stad werd het pleintje toen in een puinhoop herschapen.
‘Moed en hoop’
Commissaris Ch. Focke (° Stene 1862 + Diksmuide 1936) was een van de eersten die zich in 1919 in de ‘puinstad’ Diksmuide opnieuw kwam vestigen. Eerst vond hij een onderkomen in de kelders van het vernielde klooster van de Zusters van Sint-Niklaas in de Beerststraat, waar enkele rijkswachters al een eerste post ingericht hadden.
Eind 1919 kon Focke achter het front een ruime barak op de kop tikken, die hij in het midden van de oude Vismarkt liet optrekken. ‘t Was een tweedehands geval dat al als ‘restaurant Chez Jeanine’ gediend had. Focke nagelde er een nieuw enseigne op ‘Dixmude n° 1 Moed en hoop’. Hij woonde er voortaan met zijn hond Fritz, later met zijn beide dochters. De avonturen die Focke in het niet altijd vriendelijke en desolate puinlandschap meemaakte, zijn een verhaal op zich.
Bij de wederopbouw kreeg alleen De Vischmijn zijn vooroorlogse uitzicht terug. Op de plaats van ‘t Gouden Bezemke verrees een woning van één bouwlaag en twee in- en uitzwenkende dakvensters. In de dertiger jaren was het de winkel Ad. Delhaize.
Eens temeer…
Moeilijk te geloven, maar waar. Geen twintig jaar later – 27 mei 1940 – spreidden Duitse Messerschmitts hun bommentapijt over de stad. Een ruim deel van het centrum waaronder de kerk en het Vrijheidsplein lagen zo goed als volledig in puin. Ook nu kreeg ‘De Vischmijn’ zijn vooroorlogse uitzicht terug, maar niet zijn naam. De eigenaar en brouwer Moïse Costenoble uit Esen koos als opschrift ”t Gouden Bezemtje’. Opmerkelijk was het mooi gesmede uithangbord, jammer genoeg nu verdwenen. De laatste uitbaatster (1958-1976) was Gabrielle Tolpe-Pauwels. Nu is er een tandartspraktijk gevestigd. Op de plaats van het vroegere ‘Gouden Bezemke’ (nr. 1) verrees een private, in meer eigentijdse stijl opgetrokken woning.