De ‘kattemolen’ van het stadspark
Volgens een kaart van Ferraris telde Diksmuide rond 1777 nog een achttal windmolens, waarvan zes op de oude vestingen rond de stad. In de 19e eeuw betaalden ze hun tol aan de techniek van de stoommaal-derij. Onder W.O. I gingen de laatste twee, zoals zo vele in de frontstreek, in de vlammen op. Ze waren te geschikt als observatiepost voor de oprukkende vijand.
Ter hoogte van de ‘Zwijnmarkt’ (nu Invalidenplein), stond nog tot 1895, op een heuveltje in de Oostvesten(straat), de houten staakmolen van Amand Loncke, toen ook ‘kattemolen’ genoemd. Dit heuveltje maakte samen met het huidige stadspark tot op het einde van de 17e eeuw deel uit van de stadsomwalling.
‘Katte’ verwijst naar een term uit de vestingbouw nl. een ruitvormige uitsprong, een bastion. Hierop werd vaak, hoog en volop in de wind, een molen gebouwd. De volksmond hield het liever bij een kat, een poes, door de molenaars geliefd als onvermoeide jager op muizen in hun paradijs van graan en meel. Een katfiguurtje was daarom niet zelden het embleem voor het windhaantje boven op de molen.
Toen na W.O. I de Oostvesten(straat) en het ‘Drooghof’ (een schamele wijk tussen het Invalidenplein en de Grauwe Broedersstraat) met mekaar verbonden en rechtgetrokken werden, moest daarvoor ongeveer 1/3 van de molenberg afgegraven worden. Het heuveltje in het park aan de kant van de Oostvesten is al wat er nog van rest.
Een kattemolen stond er al in het eerste kwart van de 17e eeuw. Een stadsrekening van 1626 vermeldt immers dat een zekere Jan Poot in dit jaar aan de stad een rente betaalde voor zijn huis gebouwd ‘up stadserve an de cattemeulewal’. In oorlogs- en bezettingstijden waren vooral vestingsmolens een kort leven beschoren. Ze moesten plaats maken voor allerlei geschut. Zo toont het stadsplan van Diksmuide in Sanderus’ Flandria Illustrata (rond 1543) op de plaats van onze kattemolen een dreigend kanon.
In 1808 was Lonckes molen te koop. Ging de verkoop misschien niet door en bleef de molen in handen van de familie? In ieder geval in 1816 maalde een Joannes Loncke (°1767 +1852) op de kattemolen, daarbij geholpen door zijn zoon, eveneens Joannes genoemd (°1792 – gestorven in zijn molen 1854).
De aankondiging van de verkoop in de Gazette van Brugge (1808) geeft ons een idee hoe die molen eruit zag.
‘…eenen schoonen grooten en wel gekalanten koorn-windmolen genaemd den katte-molen zoo ten dienste van alle slag van graenen en schorse voorzien van dry paer steenen, met rosse-kot en remise beyde gestaen op circa 5 aren 90 centiaren lands onder molen-wal en hoveniershof beplant met doornhaegen gelegen ‘t eynden de Zwijne-markt op de Oostvesten der stad Dixmuyde.’
‘Heden heeft men alhier blijk gezien van buytengewoone magt. Eenen zekeren Joannes Loncke zoon, molenaer tot Dixmuyde, eene wedding gedaen hebbende van te draegen op een distantie van 300 voeten gaen en keeren, eene quantiteyt van elf spynden terwe, wegende 684 ponden, heeft tot groote verwondering van eenen menigte aenschouwers, de zelve weddinge gewonnen’.
Drama met de kattemolen
Op vrijdag 1 oktober 1824, kort na de middag, brak een kruislat, waardoor de molen kantelde. Vader Joannes liep daarbij een dijbeenbreuk en kneuzingen op, zoon Joannes kwam er met de schrik van af.
Een solidaire Diksmuidse bevolking
Vader Joannes, gebroodroofd, richtte in de volgende dagen een verzoekschrift aan het stadsbestuur om een hulpactie onder de Diksmuidse bevolking te mogen inrichten, om met die opbrengst zijn molen weer op te bouwen. In aansluiying aan het K.B. van Willem I der Nederlanden van 1823 dat de voorwaarden voor een dergelijke inzameling vastlegde, stemde de gemeenteraad op 5 oktober daarin toe, onder voorwaarde van enkele nog bijkomende eisen. De gemeenteraadsleden Bernard Dautricour, Johannes Provoost en Pieter Weyne zouden de collecte in goede banen leiden en instaan voor een ‘zuinig’ gebruik van het geld. De inzameling bracht – naast tal van beloften voor hulp in natura als hout e.a. – 854 frank 11 cent op. Met deze som, giften en nog heel wat bruikbaar materiaal van de gekantelde molen kon Loncke zijn molen weer opbouwen. 70 jaar later, in 1895 werd de kattemolen gesloopt en als brandhout verkocht. Amand Loncke (° 1824) was er de laatste molenaar.